Vermoeden van vergunning - VCRO artikel 4.2.14 en artikel 5.1.13

Vermoeden van vergunning versus vergund geacht

Er dient een (inhoudelijk) onderscheid te worden gemaakt tussen artikel 4.2.14 VCRO en artikel 5.1.3 VCRO. 
Artikel 4.2.14 VCRO handelt over welke constructies onder het vermoeden van vergunning kunnen vallen (in het kader van een vergunningsprocedure) en ressorteert onder Titel IV ‘Vergunningenbeleid’ van de VCRO terwijl artikel 5.1.3 VCRO handelt over wat in het vergunningenregister dient te worden opgenomen als “vergund geacht” (in het kader van een vraag tot opname in het vergunningenregister of via de “actieve onderzoeksplicht van de gemeentelijke overheid”; deze bepaling valt onder Titel V ‘Diverse bepalingen’ van de VCRO).

Is het vermoeden van vergunning van toepassing op reclamepanelen – publiciteitsverordeningen?

In de parlementaire voorbereiding bij de totstandkoming van de VCRO (MvT, Parl.St. Vl.Parl., 2008-2009, stuk 2011/1, 226) wordt over “de uitzondering van publiciteitsinrichtingen of uithangborden” waarvan sprake in artikel 5.1.3 VCRO gesteld:
“634. De vermeldingen in het vergunningenregister betreffende het vermoeden van vergunning
worden afgestemd op het nieuw voorgestelde artikel 106 DRO, en dat middels het nieuwe artikel
134/2 DRO.
635. Aangezien de beslissing tot (niet-)registratie (als vergund geacht) van een constructie
waarop een vermoeden van vergunning rust, rechtenscheppend kan zijn, wordt door middel van
laatstgenoemd ontwerpartikel bepaald dat de beslissing tot (weigering van) registratie
gemotiveerd moet worden.
Gegeven het feit dat de deelstaten de formele motiveringsplicht kunnen verbijzonderen, en om
overmatige planlast te vermijden, worden de eenvoudige krijtlijnen van die motivering
uitdrukkelijk decretaal vastgelegd. Eén en ander werd reeds toegelicht bij de bespreking van het
nieuw voorgesteld artikel 106 DRO.
Tevens wordt gesteld dat een weigering tot opname als “vergund geacht” bij gewone brief moet
worden gemeld aan de eigenaar.
636. Eveneens om overbodige planlast te vermijden, zijn de publiciteitsinrichtingen en
uithangborden die eventueel onder een vermoeden van vergunning zouden sorteren,
uitgezonderd van de inventarisatieregeling voor “vergund geachte” constructies.
Het uitdrukkelijk uitsluiten van publiciteitsinrichtingen en uithangborden laat zich verklaren
doordat zij vandaag niet onder het begrip “constructie” in de zin van artikel 96, §4, DRO
ressorteren.
Vanaf de inwerkingtreding van het ontwerpdecreet worden publiciteitsinrichtingen en
uithangborden wél als constructies beschouwd (nieuw artikel 92, 3°, DRO). Het
toepassingsgebied van de inschrijvingsplicht van “vergund geachte” constructies in het
vergunningenregister zou daardoor de facto worden uitgebreid. Dergelijke uitbreiding dringt zich
niet op nu publiciteitsinrichtingen en uithangborden weinig baat hebben bij een registratie als
“vergund geacht” in het vergunningenregister, ondermeer doordat zij veelal een tijdelijk karakter
hebben en makkelijk kunnen worden vervangen.
637. Het is, aansluitend bij de huidige administratieve praktijk, evident dat ook andere
“futiliteiten” (tuinhuisjes, parkings, andere “nevenconstructies”,…) zeker niet prioritair als
“vergund geacht” in het vergunningenregister moeten worden ingevoerd. De Vlaamse Regering
kan qua prioritisering via een circulaire een zekere lijn trekken.” 

Uit het bovenstaande blijkt dat publiciteitsinrichtingen en uithangborden bij de inwerkingtreding van de VCRO onder het vermoeden van vergunning uit artikel 4.2.14 VCRO konden vallen, gelet op de aanpassing van de definitie “constructie”, maar dat het niet de bedoeling van de decreetgever was om publiciteitsinrichtingen of uithangborden onder de inventarisatieregeling van het vergunningenregister te plaatsen. M.a.w. konden publiciteitsinrichtingen en uithangborden als “vergund geacht” worden beschouwd indien ze voldeden aan de gestelde voorwaarden, maar in het vergunningenregister diende voor deze publiciteitsinrichtingen en uithangborden geen verplichte inschrijving/registratie als “vergund geacht” te worden uitgevoerd (om deze als “vergund geacht” te kunnen beschouwen).

Echter en dit volledigheidshalve dient te worden vermeld dat sinds de inwerkingtreding van de Codextrein op 30 december 2017 de definitie van “constructie” opnieuw werd aangepast. Huidig artikel 4.1.1, 3° VCRO definieert “constructie” als:
“een gebouw, een bouwwerk, een vaste inrichting, een verharding, al dan niet bestaande uit duurzame materialen, in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit, en bestemd om ter plaatse te blijven staan of liggen, ook al kan het goed uit elkaar genomen worden, verplaatst worden, of is het goed volledig ondergronds;”
De zinsnede ", een publiciteitsinrichting of uithangbord" werd opgeheven uit voormelde definitie van “constructie” en tegelijkertijd werd aan artikel 4.2.1 VCRO een punt 9° toegevoegd waardoor voor het plaatsen of aanbrengen van een publiciteitsinrichting een voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen noodzakelijk is.
In de parlementaire voorbereiding (MvT, Parl.St. Vl.Parl., 2016-2017, stuk 1149/1, 86) wordt op dit punt gesteld:
“Vanaf 1 mei 2000 was alle publiciteit vergunningsplichtig. Het is door een onbedoelde onzorgvuldigheid bij het opstellen van de VCRO in 2009 dat sindsdien alleen constructies met publiciteit vergunningsplichtig zijn. Er zijn echter ook publiciteitsinrichtingen of uithangborden die niet aan deze definitie voldoen. Het gaat bijvoorbeeld om geschilderde of geplakte publiciteit. Hierdoor bestond er twijfel of dergelijke vormen van publiciteit al dan niet vergunningsplichtig zijn. Het is aangewezen dat deze vraag bevestigend wordt beantwoord, aangezien ook geschilderde of geplakte publiciteit een negatieve invloed op straatbeeld of verkeersveiligheid kan hebben. Daarom schrappen we de woorden “een publiciteitsinrichting of uithangbord” in de definitie van constructie in artikel 4.1.1 van de VCRO en voegen we aan artikel 4.2.1 van de VCRO dat de vergunningsplicht regelt toe dat het plaatsen van een publiciteitsinrichting vergunningsplichtig is. Het vervangen van de publiciteitsboodschap zelf door een andere boodschap is nooit vergunningsplichtig geweest en dat is nu uiteraard ook niet de bedoeling. Het vervangen van de ene papieren affiche door de andere kan dus zonder vergunning. Ook het overschilderen van de ene tekst door de andere. De vergunde grootte van de publiciteitsinrichting moet hierbij wel gerespecteerd worden. Er zijn uiteraard vormen van publiciteit die tegelijk ook een constructie zijn. Dit blijft ook in de toekomst zo. Voor de volledigheid kunnen we opmerken dat meerdere vormen van publiciteitsinrichtingen vrijgesteld zijn van vergunningsplicht via het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is. Bovendien is het ook zo dat feit dat iets niet-vergunningsplichtig is, niet betekent dat dit zomaar toegelaten is. Zo is er ook een weinig bekende reclamewetgeving uit 1959 die moet worden nageleefd, waardoor mensen uit onwetendheid overtredingen begaan.”

Uit de wijziging van de definitie van “constructie” uit artikel 4.1.1, 3° VCRO mag dus niet worden afgeleid dat  publiciteitsinrichtingen en uithangborden sinds de inwerkingtreding van de Codextrein op 30 december 2017 niet langer van het vermoeden van vergunning uit artikel 4.2.14 VCRO zouden kunnen genieten aangezien deze niet langer zijn opgenomen onder de definitie van “constructie”.
De decreetgever heeft met het wijzigen van de definitie van “constructie” uit artikel 4.1.1, 3° VCRO geen wijziging beoogd van de “constructies”, en meer bepaald een publiciteitsinrichting of uithangbord, die onder het vermoeden van vergunning kunnen vallen conform artikel 4.2.14 VCRO. 
Publiciteitsinrichtingen en uithangborden die wel nog voldoen aan de definitie van “constructie” uit artikel 4.1.1, 3° VCRO (m.a.w. constructies met publiciteit en bv. niet geschilderde of geplakte publiciteit) kunnen nog onder het vermoeden van vergunning vallen indien ze aan de gestelde voorwaarden voldoen. 
De wijziging van de definitie “constructie” uit artikel 4.1.1, 3 ° VCRO doet geen afbreuk aan hetgeen hoger werd uiteengezet m.b.t. het onderscheid tussen artikel 4.2.14 VCRO en artikel 5.1.3 VCRO.
 

Vragen over concrete dossiers?

Met vragen over concrete dossiers kan u terecht bij uw gemeente. Die is bevoegd voor de meeste vergunningsaanvragen en is het best geplaatst om uw dossier te beoordelen.