Toelichting VCRO art 2.6.5 Planbaten/Planschade

Art. 2.6.5., 1°:
De bestemmingswijziging heeft niet voor gevolg dat voortaan een verkavelingsvergunning of een stedenbouwkundige vergunning kan verkregen worden die vóór de inwerkingtreding van het RUP of BPA niet verkregen kon worden.

Dit betekent concreet dat de planbatenheffing niet moet worden betaald wanneer een perceel in een goedgekeurde en niet-vervallen verkaveling gelegen in bvb. agrarisch gebied, omgezet wordt naar bvb. woonzone. De eigenaar van het perceel bezat de bouwrechten die voortvloeien uit de bestemmingswijziging naar woonzone immers reeds op grond van de verkavelingsvergunning. 
Er is alleen een heffing verschuldigd als de nieuwe bestemming toelaat stedenbouwkundige of verkavelingsvergunningen af te geven die voor de planwijziging niet konden worden afgegeven. Bij een bestemmingswijziging van bedrijventerrein naar woongebied is dat bijvoorbeeld wel degelijk het geval: er kunnen vergunningen afgegeven worden voor woningen, wat niet kon op het ogenblik dat de gronden een bedrijfsbestemming hadden (behalve dan voor geïntegreerde bedrijfswoningen in een aantal gevallen).

 

Art. 2.6.5., 2°:
De bestemmingswijziging bestrijkt minder dan 25% van een perceel en / of een perceelsgedeelte van minder dan 200 m².

Indien een perceel het voorwerp uitmaakt van meerdere gelijktijdige bestemmingswijzigingen (die planbaten genereren) maakt men de optelsom (zie artikel 2.6.10., § 2). Dit wordt doorgetrokken naar artikel 2.6.5., 2°. 

De planbatenheffing wordt steeds bekeken ten opzichte van één perceel. 
De oppervlakte van het perceel is de bij het kadaster gekende oppervlakte. 

Bijvoorbeeld: 
Perceel A wordt gekenmerkt door 2 bestemmingswijzigingen 
15% landbouw -> wonen 
20% landbouw -> bedrijvigheid 

Bijgevolg bestrijkt de bestemmingswijziging meer dan 25% (15% + 20%) van een perceel en zijn er planbaten. 

Perceel B wordt gekenmerkt door 2 bestemmingswijzigingen 
100m³ landbouw -> wonen 
50m² landbouw -> bedrijvigheid 

Bijgevolg bestrijkt de bestemmingswijziging minder dan 200m² (15àm² + 50m²) van een perceelsgedeelte en zijn er geen planbaten.

 

Art. 2.6.5., 3°:
Voor het perceel treedt een RUP / BPA in werking om te voldoen aan de verplichting tot planschadevergoeding.

Deze uitzonderingsregel kadert in de vergoedingsregeling inzake planschade. Indien een overheid door de rechter wordt veroordeeld tot betaling van een planschadevergoeding (wegens een bestemmingswijziging die een bouwverbod met zich meebracht), kan deze overheid ervoor kiezen om, in plaats het betalen van planschadevergoeding, de bestemming van datzelfde perceel, met een ruimtelijk uitvoeringsplan, terug om te zetten naar een bestemming die bouwen opnieuw toelaat. In dergelijk geval moet de eigenaar uiteraard geen planbaten betalen.

 

Art. 2.6.5., 5°: 
Het perceel, begrepen in een niet-vervallen verkaveling, bestemd voor woningbouw, krijgt een voor woningbouw geëigende functie ten gevolge van het plan.

Er werd een verkavelingsvergunning (bv. voor woningbouw) afgeleverd vóór de inwerkingtreding van het gewestplan (bv. in landbouwzone). Er zijn bijgevolg geen planbaten verschuldigd, aangezien de eigenaar van het perceel de bouwrechten die voortvloeien uit de bestemmingswijziging naar bijvoorbeeld woonzone reeds bezat op grond van de verkavelingsvergunning.

 

Art. 2.6.7., 3°: 
Er is opschorting van planbatenheffing gedurende de periode waarbinnen het perceel niet bebouwd kan worden ten gevolge van redenen eigen aan het perceel.

Het gaat hier om redenen van feitelijke onbebouwbaarheid. Die redenen kunnen betrekking hebben op de fysieke toestand van de gronden (bvb. waterziek, bebost, te zanderig, te laag gelegen, extreme hellingsgraad…). De vorm, de ligging of de beperkte omvang van een perceel kunnen ook een reden zijn die het perceel onbebouwbaar maakt.

 

Art. 2.6.7., 4°: 
Er is opschorting van planbatenheffing gedurende de periode waarbinnen het perceel niet bebouwd kan worden ten gevolge van een erfdienstbaarheid van openbaar nut.

Volgens artikel 637 van het Burgerlijk Wetboek (B.W.) is een erfdienstbaarheid een last op een erf gelegd tot gebruik en tot nut van een erf dat aan een andere eigenaar toebehoort. Zij ontstaat of uit de natuurlijke ligging van de plaatsen of uit de verplichtingen door de wet opgelegd of uit overeenkomsten (artikel 639 B.W.) 
Door artikel 649 B.W. worden de erfdienstbaarheden die door de wet gevestigd zijn, ingedeeld in erfdienstbaarheden van algemeen (=openbaar) of gemeentelijk nut, of erfdienstbaarheden van privaat nut. 
Artikel 650 B.W. bepaalt dat de erfdienstbaarheden tot algemeen of gemeentelijk nut voetpaden langs bevaarbare of vlotbare rivieren, het aanleggen of herstellen van de wegen en andere openbare of gemeentelijke werken betreffen. Alles wat deze soort van erfdienstbaarheid betreft, wordt door bijzondere wetten of verordeningen geregeld. 

Erfdienstbaarheden tot algemeen nut zijn beperkingen die in het algemeen belang aan de uitoefening van het privaat eigendomsrecht gesteld zijn. Zij worden gevestigd op een erf dat als dienstbaar kan beschouwd worden, maar vereisen niet noodzakelijk het bestaan van een heersend erf. 
Erfdienstbaarheden van privaat nut worden beheerst door de bepalingen van het B.W., terwijl openbare erfdienstbaarheden geregeld worden door bijzondere wetten of verordeningen. 

De voornaamste erfdienstbaarheden tot openbaar nut zijn: 

- De erfdienstbaarheden ten behoeve van spoor- en buurtspoorwegen (wetten van 25 juli 1891 en 14 februari 1935). 
- De erfdienstbaarheden voortspruitend uit de nabijheid van de grenzen van het Rijk (wetten van 5 april 1887 en 15 mei 1931). 
- De erfdienstbaarheden tot bewaring van de signalen en merktekens voor het opmaken van de kaart van België (wet van 10 juni 1927). 
- De luchtvaartdienstbaarheden (wetten van 23 juni 1930 en 17 maart 1936). 
- De erfdienstbaarheid van voet- en jaagpad die aan de oevereigenaars van vlotbare en bevaarbare waterwegen is opgelegd voor de behoeften van de scheepvaart (ordonnantie van 13 augustus 1669; K.B. van 4 november 1920, zoals gewijzigd bij K.B. van 12 november 1934). 
- De door de artikelen 1 tot 9 van het Veldwetboek opgelegde erfdienstbaarheden. Die artikelen leggen aan de eigenaar van een veld de verplichtingen op te gedogen dat er graafwerk op verricht wordt om er zoveel aarde, zand, steen en ander materiaal uit te halen als nodige is voor het aanleggen of onderhouden van wegen, vaarten, bruggen en andere werken van algemeen, provinciaal of gemeentelijk openbaar nut. Wanneer de bezetting meer dan één maand duurt mag de eigenaar de onteigening vorderen. 
- De erfdienstbaarheden gevestigd door de wet van 12 juli 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen. 
- Het bouwverbod in beschermde duingebieden en als voor het duingebied belangrijk landbouwgebied (art. 52 van de wet van 12 juli 1973). 
- De erfdienstbaarheden gevestigd met het oog op de bosbescherming (art. 97 tot 107 van het Vlaamse bosdecreet van 13 juni 1990). 
- De kabelmaatschappijen hebben het recht om voor de aanleg van de kabels en de bijhorende uitrustingen van hun kabelnetten, op blijvende wijze steunen en ankers aan te brengen op muren en gevels die uitkomen op de openbare weg en hun kabels in open en onbebouwde grond aan te leggen of zonder vasthechting of aanraking boven particuliere eigendommen te laten doorgaan (art. 110 van de decreten betreffende de radio-omroep en de televisie, gecoördineerd op 25 januari 1995). 
- De erfdienstbaarheden gevestigd door het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen, voor de uitvoering van waterkeringswerken, evenals van alle werken tot aanleg of aanpassing van overstromingsbekken en wachtbekkens en alle werken tot aanleg of aanpassing van de toegangswegen naar de waterkeringswerken, overstromingsbekken en wachtbekkens.

Contacteer ons

Beleidsontwikkeling en Juridische Ondersteuning