SEVESO

Naar aanleiding van een reeks zware chemische ongevallen, waaronder de ‘Sevesoramp’ in Meda (Italië) in 1976, werd actie ondernomen en wetgeving uitgewerkt die de mens en zijn omgeving beter moet beschermen tegen de gevaren en de gevolgen van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen. In dit kader werden in Europa een reeks “Sevesorichtlijnen” goedgekeurd, die aan exploitanten van bedrijven met risico voor een zwaar ongeval (de zogenaamde Sevesobedrijven) en aan de bevoegde overheidsdiensten verplichtingen opleggen om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen ervan voor mens en leefmilieu maximaal te beperken. De derde en laatste richtlijn (2012/18/EG), logischerwijze “Seveso III-richtlijn’ genoemd, gepubliceerd op 24 juli 2012, werd in nationale wetgeving omgezet via een (derde) Samenwerkingsakkoord (SWA III) van 16 februari 2016 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. 

Dit SWA III heeft betrekking op de preventie van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, en de beperking van de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu, teneinde op coherente en doeltreffende wijze een hoog niveau van bescherming in het hele land te waarborgen.

Exploitanten van Sevesobedrijven zijn verplicht om:

  • alle nodige maatregelen te treffen om zware ongevallen te voorkomen én de gevolgen ervan te beperken voor mens en milieu (zorgplicht)
  • altijd aan inspectiediensten te kunnen aantonen dat de noodzakelijke maatregelen werden genomen (aantoonplicht).

Wat is de rol van Omgevingsinspectie?

De controle van Sevesobedrijven gebeurt door een inspectieteam bestaande uit de Omgevingsinspectie ( (bevoegd voor de bescherming van de van de mens in de omgeving (“externe veiligheid”) en voor het milieu binnen en buiten de inrichting) en de federale inspectiedienst (bevoegd voor de bescherming van de werknemers). 

Op basis van de Seveso-status wordt voor een inrichting een programma opgesteld, met daarin minimaal:

  • de aard van de geplande controles en de toe te passen methodiek;
  • de voorziene frequentie voor de controles ter plaatse;
  • de inspectiedienst die wordt belast met de concrete uitvoering van de controles.

Op basis van het gevarenpotentieel wordt de minimum inspectiefrequentie vastgelegd. Die varieert tussen één keer per jaar en één keer per drie jaar.  Bij de meeste Seveso-inrichtingen is er jaarlijks ook een voortgangscontrole. Naar aanleiding van de controles worden immers actieplannen gegenereerd, waarvan de uitvoering moet worden nagegaan. 

De basisfrequentie kan verlaagd worden:

  • voor eenvoudige inrichtingen, zijnde inrichtingen met enkel opslag en/of overslag van gevaarlijke stoffen en inrichtingen waar geen reactieprocessen plaatsvinden;
  • voor exploitanten met een goed naleefgedrag.

De basisfrequentie kan verhoogd worden voor inrichtingen met een slecht naleefgedrag..

Het naleefgedrag wordt ingeschat en periodiek herzien op basis van de bevindingen van de voorgaande controles.

Tijdens de controle moet de exploitant:

  • de passende preventieve maatregelen kunnen aantonen;
  • de passende mitigerende maatregelen kunnen aantonen;
  • kunnen aantonen dat het veiligheidsrapport de situatie in de inrichting getrouw weergeeft (enkel voor hoge drempel).

De controles moeten een totaalbeeld geven van de risico’s van de bedrijven en de beheersing ervan.

Er kan bij het uitvoeren van de controles gebruik gemaakt worden van ‘Seveso-inspection tools’ of SIT’s. Dit zijn inspectie-instrumenten die de Seveso-inspectiediensten in onderling overleg ontwikkelen en actualiseren, en die een gefundeerde beoordeling van de preventieve en mitigerende maatregelen mogelijk maken.