Isolatie - gevelisolatie - VCRO artikel 4.1.1, 12° ; artikel 4.4.1, §2, 3° ; artikel 4.3.8

Isolatie ≠ uitbreiding (artikel 4.1.1, 12° VCRO)

In het kader van de optimalisatie en energie-efficiëntie van ons gebouwenpatrimonium is het aangewezen om bestaande woningen te isoleren.  
Het bouwvolume wordt in de VCRO gedefinieerd als ‘het bruto-bouwvolume met inbegrip van buitenmuren en dak’, wat betekent dat het bouwvolume van een constructie/woning moet gerekend worden aan de buitenzijde en dat het aanbrengen van isolatie aan de buitenzijde resulteert in een volumetoename.  
Doordat de definitie van ‘verbouwen’ in artikel 4.1.1 VCRO werd aangevuld, wordt het aanbrengen van isolatie aan de buitenzijde van een woning tot een maximum van 26 cm beschouwd als aanpassingswerken binnen het bestaande bouwvolume.  
Zo kunnen de zonevreemde woningen in ruimtelijk kwetsbaar gebied (die nooit kunnen uitbreiden) en de zonevreemde woningen buiten ruimtelijk kwetsbaar gebied (die ingeval van een bestaand volume ≥ 1000m³ niet kunnen uitbreiden) toch aan de buitenzijde isoleren.  
Onder isolatie wordt ook dakisolatie verstaan. Oorspronkelijk ging het om “gevelisolatie”, maar dan kon men geen dakisolatie aanbrengen, omdat het bouwvolume en de nokhoogte wel verhogen daardoor. 

Isolatie = geen afwijking, geen vrijstelling (art. 4.4.1, §2, 3° VCRO)

Artikel 4.4.1, §2, 3° VCRO voorziet dat het aanbrengen van isolatie aan de buitenzijde van een woning met een dikte van ten hoogste 26 cm niet beschouwd wordt als strijdig met de geldende stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften (cf. analogie zonnepanelen en zorgwonen), tenzij de voorschriften deze handelingen uitdrukkelijk verbieden. 
Dit betekent dat toch een vergunning kan worden verleend tot 26 cm isolatie indien deze isolatie strikt genomen strijdt met de voorschriften (vb. bouwvrije zijdelingse strook). 
Dit betekent niet dat er een vrijstelling zou gelden voor het aanbrengen van de vermelde isolatie. Er moet dus een omgevingsvergunning worden aangevraagd. 
Uiteraard geldt voor elke aanvraag nog steeds de toets aan de goede ruimtelijke ordening, zodat één en ander om die reden nog wel kan worden geweigerd. 

Het aanbrengen van gevelisolatie is steeds vergunningsplichtig, zowel aan de voorgevel als aan de zij- en achtergevel.

In artikel 2.1, 2° van het vrijstellingsbesluit is een vrijstelling voorzien voor handelingen aan zijgevels, achtergevels en daken zonder stabiliteitswerken en zonder wijziging van het fysiek bouwvolume.

In het verslag bij dit besluit staat het volgende:

“Indien de handelingen leiden tot een wijziging van het bouwvolume, geldt de vrijstelling niet. Hiermee wordt niet het mathematische bouwvolume bedoeld, maar het werkelijke, fysisch aanwezige bouwvolume. Men kan dus geen gebouwonderdelen afbreken om elders bij te bouwen. Zo houdt het verwijderen van een bestaande dakuitbouw op het dak van een woning altijd een wijziging van het volume in, ook al wordt deze wijziging geneutraliseerd door het aanbouwen van eenzelfde nieuw volume op een andere plaats zodat het nettobouwvolume hetzelfde blijft.”

Het aanbrengen van gevelisolatie leidt tot een wijziging van het fysiek bouwvolume waardoor deze vrijstelling niet kan worden toegepast.

 

Bestaande woningen versus nieuwbouwwoningen

Uit de memorie van toelichting blijkt dat het gaat om het aanbrengen van isolatie aan een bestaande woning: 
“In het kader van de optimalisatie en energie-efficiëntie van ons gebouwenpatrimonium is het aangewezen om bestaande woningen te isoleren. In bepaalde gevallen is isolatie aan de buitenzijde de enige (betaalbare of haalbare) mogelijkheid.
(…) ”
Het is dus niet de bedoeling om bij een nieuwbouwwoning de eigenlijke gevel op bijv. de voorgevellijn te zetten en de isolatie daarbuiten. Overigens is het gebruikelijk en meer aangewezen nieuwe woningen langs de binnenzijde te isoleren. Isolatie aan de buitenzijde is enkel een ‘lapmiddel’ voor bestaande woningen waar isolatie langs de binnenzijde praktisch en/of financieel vaak niet haalbaar is (veel grotere ingreep/impact). µ

 

Verhouding van artikel 4.4.1, §2, 3° VCRO t.o.v. de gewestplanbestemming

Artikel 4.4.1, §2, 3° VCRO heeft betrekking op de overeenstemming van isolatie met de geldende stedenbouwkundige voorschriften (verkaveling, BPA, RUP, …) waar eventueel discussie kan rijzen over de verenigbaarheid. In een gewestplanbestemming (vb. woongebied) zal deze discussie doorgaans niet rijzen, gelet op het gebrek aan specifieke stedenbouwkundige voorschriften. Dit betekent dat zowel een woning die gelegen is in een BPA als een woning die gelegen is in een woongebied volgens het gewestplan kan isoleren aan de buitenzijde. Wat die laatste woning betreft, is de betrokken bepaling hoogstens overbodig. Niets belet ook daar 26 cm (of zelfs meer) isolatie aan te brengen, aangezien geen enkel voorschrift dat impliciet zou kunnen verbieden. 


Verhouding van artikel 4.4.1§2,3° VCRO t.o.v. de algemene gewestelijke bouwverordening inzake wegen voor voetgangersverkeer

Een decretale bepaling heeft steeds voorrang op een verordening. Overigens is een voorschrift in een stedenbouwkundige verordening ook een stedenbouwkundig voorschrift waarmee volgens de nieuwe bepaling in artikel 4.4.1 VCRO de gevelisolatie niet strijdt (tenzij uitdrukkelijk verbod). Niettemin zal er ter hoogte van een voetpad doorgaans ook sprake zijn van een rooilijn, die max. 14 cm mag overschreden worden, mits goedkeuring van de wegbeheerder indien bestaande grens tussen openbare weg een aangelande eigendom. We zouden er van durven uitgaan dat AWV rekening houdt met de verordening inzake voetgangersverkeer.

 

Verhouding van art. 4.4.1, §2, 3° VCRO t.o.v. het Rooilijnendecreet 

Inname openbaar domein

Als bij het aanbrengen van gevelisolatie aan een bestaande vergunde of vergund geachte constructie een rooilijn wordt overschreden, kan in principe geen vergunning verleend worden, tenzij de overschrijding ten hoogste veertien centimeter bedraagt en na gunstig advies van de wegbeheerder. Tot en met 31 augustus 2019 werd hiervoor verwezen naar het Rooilijndecreet. Sinds 1 september 2019 (inwerkingtreding van het Gemeentewegendecreet) is deze regeling opgenomen in artikel 4.3.8,§1 VCRO. Dat de stedenbouwkundige voorschriften niet langer in de weg staan van het aanbrengen van 26 cm isolatie, neemt niet weg dat artikel 4.3.8,§1 VCRO dit beperkt tot 14 cm indien er een rooilijn wordt overschreden (door aanbrengen van gevelisolatie). Hieruit volgt dat het openbaar domein op vandaag dus niet met 26 cm maar met ten hoogste 14 cm zal kunnen overschreden worden.


Toelating wegbeheerder nodig?

Artikel 34 van het Gemeentewegendecreet, het eerste artikel in de afdeling met als titel “Beheer van gemeentewegen”, luidt:

Ҥ 1. De gemeente is belast met het beheer van de gemeentewegen en het vrijwaren van de publieke doorgang over de volledige breedte van de gemeenteweg.

§ 2. De gemeente kan, met toepassing van de relevante regelgeving, te allen tijde onderhouds- en herstelwerkzaamheden uitvoeren aan gemeentewegen. Daarin zijn het herstel van het wegdek, het snoeien van overhangende takken, het garanderen van een adequate waterhuishouding en het herstellen van wegzakkende bermen begrepen. (…)

Het is dus alvast duidelijk dat “de gemeente” beschouwd wordt als wegbeheerder bij gemeentewegen.

Om te weten welk orgaan binnen de gemeente welke taken inzake gemeentewegen op zich neemt, geldt de klassieke bevoegdheidsverdeling. De gemeenteraad bepaalt het algemene beleid en heeft verordenende bevoegdheid, het college is een orgaan van dagelijks bestuur. Zie ook het decreet lokaal bestuur.

Inzake gemeentewegen worden een aantal specifieke taken aan de gemeenteraad toegewezen: zo luidt artikel 8 van het Gemeentewegendecreet:

“Niemand kan een gemeenteweg aanleggen, wijzigen, verplaatsen of opheffen zonder voorafgaande goedkeuring van de gemeenteraad.”

De gemeenteraad heeft aldus exclusieve bevoegdheid voor de aanleg, wijziging, verplaatsing en opheffing van alle gemeentewegen. Dit zijn de openbare wegen die onder het rechtstreekse en onmiddellijke beheer van de gemeente vallen, ongeacht de eigenaar van de grond. Buurtwegen vormden een specifieke categorie binnen de gemeentewegen en vallen voortaan onder het regime van het Gemeentewegendecreet.

Let wel, de begrippen aanleg, wijziging, verplaatsing en opheffing hebben hun eigen invulling.

 

Het Gemeentewegendecreet bevat geen definitie van “aanleg van een gemeenteweg”, wel van “wijziging van een gemeenteweg”.

Onder wijziging van een gemeenteweg wordt verstaan “de aanpassing van de breedte van de bedding van een gemeenteweg, met uitsluiting van verfraaiings-, uitrustings- of herstelwerkzaamheden”.

Met andere woorden: allerlei werken binnen de rooilijnen worden niet beschouwd als “wijziging van een weg”. A fortiori zijn dergelijke werken geen “aanleg” van een weg in de zin van het Gemeentewegendecreet.

Onder “aanleg van een weg” in de zin van het Gemeentewegendecreet valt logischerwijze enkel het aanduiden van nieuwe tracés met bijbehorende rooilijnen.

Onder verplaatsing van een gemeenteweg wordt verstaan “de vervanging van een af te schaffen gemeenteweg of een gedeelte daarvan door een nieuwe gemeenteweg of een nieuw wegdeel”.

Het is logisch dat de bevoegdheid inzake rooilijnen bij de gemeenteraad ligt gelet op het verordenend karakter van de rooilijnen.

 

Alle in artikel 34 gemeentewegendecreet vermelde activiteiten (vrijwaren van de doorgang, onderhouds- en herstelwerkzaamheden, …) zijn duidelijk handelingen van dagelijks bestuur.

Ook het adviseren van een aanvraag tot aanbrengen van isolatie op de voorgevel waardoor de rooilijn wordt overschreden (wanneer deze voorgevel op de feitelijke of in plannen vastgelegde rooilijn is opgericht) of van een aanvraag tot uitvoering van werken aan een woning die door de rooilijn getroffen is, moet geacht worden een handeling van dagelijks bestuur te zijn die tot de bevoegdheid van het college van burgemeester en schepenen behoort in geval van een gemeenteweg. Voor het advies moet namelijk bekeken worden of de doorgang voldoende verzekerd is; meer algemeen heeft het te maken met de uitvoering van de rooilijn en niet met de ligging van de rooilijn op zich. De rooilijn wijzigt niet en de tussenkomst van de gemeenteraad is niet vereist.

Deze interpretatie vindt steun in de initiële teksten van het Rooilijndecreet (artikel 16, de voorganger van het huidige artikel 4.3.8 VCRO).

 

Bijgevolg is ook voor ‘feitelijke’ rooilijnen het advies van de wegbeheerder vereist.

De oorspronkelijke versie van het rooilijnendecreet (2009) luidde:

“Historische versie: (13/07/2009 - 29/04/2012)

Art. 16, Onverminderd andersluidende wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen, is het verboden om een constructie in de zin van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, te bouwen of herbouwen op een stuk grond dat door een rooilijn of een achteruitbouwstrook is getroffen, of om verbouwings- of uitbreidingswerken, andere dan stabiliteitswerken, aan een door een rooilijn of een achteruitbouwstrook getroffen constructie uit te voeren, tenzij het gaat om :

1° sloop- of aanpassingswerken die tot gevolg hebben dat de constructie aan de rooilijn of de achteruitbouwstrook wordt aangepast;

2° de verbouwing van een krachtens decreet definitief of voorlopig beschermd monument of een constructie die deel uitmaakt van een krachtens decreet definitief of voorlopig beschermd stads- of dorpsgezicht of landschap;

3° het aanbrengen van gevelisolatie, waarbij de rooilijn of de bouwlijn met ten hoogste veertien centimeter mag worden overschreden.

In afwijking van het eerste lid mag een stedenbouwkundige vergunning, zoals bedoeld in het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, worden verleend als uit het advies van de bevoegde instanties blijkt dat de rooilijn niet binnen vijf jaar na afgifte van de vergunning zal worden gerealiseerd.

Wordt na het verstrijken van die termijn maar voor het verval van rechtswege van het rooilijnplan onteigend, dan wordt bij het bepalen van de vergoeding geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die uit de vergunde werken voortvloeit.

Werken en handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning is vereist, mogen onder dezelfde voorwaarden als bepaald in het eerste en tweede lid worden uitgevoerd na machtiging van, naargelang van het geval, de Vlaamse Regering of het college van burgemeester en schepenen.

De Vlaamse Regering kan nadere formele en procedurele regelen voor de toepassing van dit artikel bepalen.”

 

Het is dus duidelijk dat men in 2009 het schepencollege als “bevoegde instantie” beschouwde. In 2012 is dit vervangen door verwijzingen naar “de wegbeheerder”. Nergens in de parlementaire voorbereidingen vinden we terug dat men toen bewust de bevoegdheid heeft willen verleggen van CBS naar gemeenteraad. Integendeel, de memorie bij de wijziging van het rooilijnendecreet van 2012 stelt:

In de voor advies onderworpen tekst werd initieel de ‘Vlaamse Regering’, als bestuurlijke overheid waaraan, naargelang het geval, de bevoegdheid toekomt tot machtiging van in artikel 16 van het decreet van 8 mei 2009 vermelde werken en handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning is vereist, vervangen door ‘de wegbeheerder’. De Raad van State merkte terecht op dat de vermelding in de bestaande tekst van “het college van burgemeester en schepenen”, als andere voor die werken en handelingen tot machtiging bevoegde bestuurlijke overheid, behouden werd.

Het college van burgemeester en schepenen wordt, op grond van artikel 57, §3, 1°, van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005, met betrekking tot gemeentewegen als wegbeheerder beschouwd, zodat het voor advies voorgelegd artikel gewijzigd wordt.

Volgens de Raad van State is het aangewezen het begrip ‘wegbeheerder’ nader te omschrijven. Dit lijkt echter overbodig. Artikel 3 van het Rooilijnendecreet bepaalt dat er gewestelijke rooilijnplannen worden opgesteld voor gewestwegen en gemeentelijke rooilijnplannen voor gemeentewegen, het is dan ook evident dat de wegbeheerder het gewest of de gemeente zal zijn. Het woord zegt zelf wat het inhoudt: ‘de beheerder van de weg’. Bovendien wordt dat woord ook gebruikt in andere regelgeving; zoals de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en wordt het daar ook niet gedefinieerd of nader omschreven.

Dus het was zonder enige twijfel de bedoeling dat met wegbeheerder in artikel 4.3.8 VCRO (wat de opvolger is van artikel 16 van het rooilijnendecreet) het college van burgemeester en schepenen werd bedoeld.

 

Stedenbouwkundig voorschrift “de gevel dient opgetrokken te worden op de voorgevellijn of rooilijn”

Een stedenbouwkundig voorschrift dat bepaalt dat de gevel dient opgetrokken te worden op de voorgevellijn of rooilijn (idem dat er een bepaalde bouwvrije zijdelingse strook moet zijn), is geen expliciet verbod. Hierover anders oordelen zou de betrokken bepaling zinledig maken. Het is net de bedoeling om voor bestaande woningen (isolatie aan de buitenzijde) een oplossing te bieden (discussie of het strookt met bepaalde voorschriften) die het mogelijk moet maken om vb. voorbij de voorgevellijn of in de bouwvrije zijdelingse strook toch 26 cm in te nemen voor isolatie. 

 

Meer informatie over het decreet gemeentewegen vindt u hier.
 

Contacteer ons

Afdeling Beleidsontwikkeling en Juridische Ondersteuning (BJO)