Hobbystallen voor weidedieren in agrarisch gebied - VCRO artikel 4.4.8/2

Met toepassing van artikel 4.4.8/2 VCRO kan men, onder bepaalde voorwaarden, per hoofdzakelijk vergunde residentiële woning of bedrijfswoning  één stal voor weidedieren die geen betrekking heeft op beroepslandbouw, oprichten in agrarisch gebied, zowel volgens de plannen van aanleg (APA - BPA – gewestplan) als volgens de ruimtelijke uitvoeringsplannen. Het gaat hier enkel over de stalling, voor paardenpistes werden er geen aanvullende mogelijkheden gecreëerd. 

Dit is enkel mogelijk voor zover er geen bestaande stallingsmogelijkheden zijn. Een vergunning voor het oprichten van een hobbystal kan bijgevolg enkel worden afgeleverd indien er geen bestaande stallen of andere constructies zijn die kunnen worden aangepast, omgebouwd of uitgebreid tot hobbystal. 

Indien er bestaande bijgebouwen zijn en die komen in aanmerking als stallingsmogelijkheid kan geen toepassing worden gemaakt van de regeling inzake hobbystallen voor weidedieren. Om te bepalen of al dan niet sprake is van een bestaande stallingsmogelijkheid moet worden gekeken of deze gebouwen (of eventuele andere aanwezige constructies op het terrein) kunnen worden aangepast, omgebouwd of uitgebreid tot hobbystal. Dit is een afweging die de vergunningverlenende overheid geval per geval moet maken.

Indien de bestaande bijgebouwen (en ook eventuele andere aanwezige constructies op het terrein) niet in aanmerking komen als stallingsmogelijkheid, kan toepassing worden gemaakt van de regeling inzake hobbystallen voor weidedieren.

De vrijstelling voor een vrijstaand bijgebouw geldt tot een oppervlakte van 40 m², waarbij alle reeds bestaande vrijstaande bijgebouwen moeten worden meegerekend. Bijgevolg moet een bestaande stal mee in rekening worden gebracht voor de toepassing van deze vrijstelling. (zie verder)

 

Wel is het zo dat men, wanneer men geen toepassing meer kan maken van de vrijstelling inzake vrijstaande bijgebouwen omdat er reeds sprake is van 40 m² aan bijgebouwen, nog een beroep kan doen op artikel 4.4.8/2 VCRO voor de oprichting van een hobbystal. Er staat nergens in de regelgeving dat dit niet mogelijk zou zijn.

 

Voorwaarden

Aan volgende voorwaarden moet worden voldaan:

  • De stal moet in de onmiddellijke nabijheid (binnen een straal van 50 m) van een hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte woning worden opgericht.  
    De Raad voor Vergunningsbetwistingen oordeelt in een arrest van 22 oktober 2019 dat met “een hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte woning” de woning van de aanvrager wordt bedoeld. Volgens de Raad moet er dus een band bestaan tussen de aanvrager van de hobbystal en de woning waarbij de hobbystal wordt opgericht en kan een hobbystal in landbouwgebied bijgevolg enkel worden opgericht bij de eigen woning van de aanvrager en niet bij een andere woning. Hoewel dit arrest in principe enkel geldt tussen partijen, heeft het enige juridische draagwijdte. Daarom raden wij aan om bij de behandeling van aanvragen inzake hobbystallen deze interpretatie van de Raad voor Vergunningsbetwistingen toe te passen. 

 

De woning dient zich niet op hetzelfde perceel te bevinden als het perceel waarop de hobbystal wordt ingeplant.

Gelet op artikel 4.3.5, § 1 VCRO en aangezien een hobbystal als hoofdfunctie “wonen” heeft, dient de stalling wel langs een voldoende uitgeruste weg te worden ingeplant.

 

  • De kroonlijsthoogte van de stal mag maximaal 3,5 m bedragen. 
  • De maximumoppervlakte bedraagt 120m² per hectare graasland, met een absoluut maximum van 200m2. Onder vloeroppervlakte wordt begrepen de oppervlakte van alle “vloeren”, en dit met inbegrip van de buitenmuren (de dakoversteek moet niet meegerekend worden, de verdieping wel). De omvang van de stal moet in verhouding staan tot de aard en het aantal weidedieren waarvoor de stal bestemd is en de noodzaak van de stal.  
  • De stal wordt niet opgericht in ruimtelijk kwetsbaar gebied of in de gebieden die staan aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen als bouwvrij agrarisch gebied en agrarisch gebied met overdruk natuurverweving. 

Uit de aanvraag moet blijken dat de aanvrager effectief weidedieren houdt of zal houden en dat hij voldoende graasweiden in eigendom, in pacht of in gebruik heeft in verhouding tot het aantal dieren waarvoor een stal wordt voorzien. Het (niet-bindend) advies van het Departement Landbouw en Visserij kan hierbij als richtsnoer gelden. Het aantal dieren, de aard en de noodzaak tot stalling ervan vormen bijgevolg de determinerende criteria om de vloeroppervlakte van de stal te bepalen en niet de omvang van het beschikbare graasland. 

De stal kan enkel gebruikt worden voor het verblijf van weidedieren eventueel in combinatie met een beperkte bergruimte in functie van dit verblijf (hooi, voeder…).  

In de toelichting bij het artikel worden volgende richtinggevende cijfers en gegevens meegegeven: 

Met betrekking tot grote weidedieren, zoals paarden en runderen: 

  • dergelijke weidedieren moeten ter plaatse of in de onmiddellijke omgeving van de stalling over voldoende graasweide beschikken; 
    Richtnorm: 1000 à 2500 m² per dier, met een maximum van 4 grote weidedieren per hectare; 
  • afhankelijk van de (schoft)hoogte van het dier, 10 à 15 m² stallingsoppervlakte per weidedier; 
  • 5 à 15 m² voederberging (stro + hooi) per dier; 

Met betrekking tot kleinere weidedieren, zoals schapen en geiten: 

  • dergelijke weidedieren moeten ter plaatse of in de onmiddellijke omgeving van de stalling over voldoende graasweide beschikken; 
    Richtnorm: 250 à 500 m² per dier, met een maximum van 20 weidedieren per hectare; 
  • circa 2 m² stallingsoppervlakte per weidedier; 
  • een kleine voederberging (stro + hooi) per stal. 

Bij de beoordeling van een aanvraag tot omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor een hobbystal geldt de toetsing aan de goede ruimtelijke ordening onverkort. Ook moet er rekening gehouden worden met de landschappelijke inpasbaarheid in het gebied.  

Verval van de omgevingsvergunning voor een hobbystal

Als gedurende een periode van vijf opeenvolgende jaren geen weidedieren worden gehouden op het perceel of de percelen waarop de vergunning betrekking heeft, vervalt de verkregen omgevingsvergunning voor dergelijke stal.  

Binnen de 6 maanden na het verval van de vergunning dient de stal worden afgebroken. Op deze manier kunnen gebieden die hoofdzakelijk zijn bestemd voor landbouw opnieuw gebruikt worden voor professionele landbouw in geval van langdurig ongebruik door de hobbylandbouwer.  

Er is geen specifieke handhavingsregeling voorzien in de VCRO voor het niet naleven van de afbraakplicht na verval van de vergunning. Er moet dus worden gekeken naar de reeds bestaande strafbepalingen opgenomen in de artikelen 6.2.1 en 6.2.2 VCRO.

Volgende situaties kunnen zich voordoen na het verval van de vergunning voor een hobbystal in landbouwgebied:

1) De hobbystal blijft leegstaan en wordt niet meer gebruikt

  • In dit geval is louter sprake van instandhouding van een onvergunde constructie. Het instandhouden is evenwel niet strafbaar, gelet dat geen sprake is van ruimtelijk kwetsbaar gebied (artikel 6.2.2, 1° VCRO).
  • Wanneer de stal terug in gebruik wordt genomen als hobbystal, komt deze in aanmerking voor een regularisatievergunning.

2) De hobbystal wordt gebruikt voor andere, niet aan landbouw gerelateerde doeleinden (opslag, tuinhuis,…)

  • Er is sprake van een niet-strafbare instandhouding van een onvergunde constructie (zie eerste situatie).
  • Er ontstaat een strijdig gebruik met de geldende bestemmingsvoorschriften (van een RUP/plan van aanleg). Aangezien het louter gebruiken van een constructie een niet-vergunningsplichtige handeling is, wordt dit op grond van artikel 4.4.1, §3, derde lid VCRO evenwel als niet-strijdig beschouwd met de voorschriften van de plannen van aanleg, RUP’s (en verkavelingen), tenzij deze voorschriften deze handelingen uitdrukkelijk of specifiek beperken of verbieden. Bijgevolg is het nieuwe gebruik niet strafbaar, tenzij het uitdrukkelijk of specifiek beperkt of verboden is door de stedenbouwkundige voorschriften. In dat laatste geval, en voor zover sprake is van handelingen met ruimtelijke implicaties, ontstaat een misdrijf of een inbreuk (artikel 6.2.1, 2° VCRO, artikel 6.2.1, 4° VCRO of artikel 6.2.2, 6° VCRO) wegens het uitvoeren van handelingen in strijd met de voorschriften van een plan van aanleg of een RUP.
  • Er is eveneens sprake van een vergunningsplichtige functiewijziging indien de nieuwe functie van de stal niet langer onder de functie wonen kan worden ondergebracht.
  • Regulariseerbaar?

    • Gelet dat de nieuwe functie van de constructie in strijd is met de geldende bestemmingsvoorschriften, komt de constructie (incl. de nieuwe functie) niet in aanmerking voor een (zonevreemde) regularisatievergunning. Er kan immers geen toepassing worden gemaakt van het BVR inzake zonevreemde functiewijzigingen aangezien de stal onvergund is (ingevolge het verval van de vergunning) en dus niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4.4.23, eerste lid VCRO. Er is sprake van een misdrijf conform artikel 6.2.1, 1° VCRO, met name het uitvoeren van een vergunningsplichtige functiewijziging zonder vergunning.

3) De hobbystal wordt gebruikt voor landbouwgerelateerde doeleinden

  • Er is sprake van een niet-strafbare instandhouding van een onvergunde constructie (zie eerste situatie).
  • Er is sprake van een vergunningsplichtige functiewijziging van de functie wonen naar landbouw.
  • Regulariseerbaar?

Gelet dat de nieuwe functie die in de constructie wordt uitgeoefend in overeenstemming is met de geldende bestemmingsvoorschriften, komt de constructie (incl. de nieuwe functie) in aanmerking voor een (zone-eigen) regularisatievergunning.

Hierbij dient te worden opgemerkt dat steeds de mogelijkheid bestaat om voor de burgerlijke rechter de nakoming van de verplichting in het betreffende artikel 4.4.8/2 VCRO te vragen en voor recht te laten zeggen dat de hobbystal moet worden afgebroken. Dergelijke vordering behoort evenwel niet tot de bevoegdheid van een handhavingsambtenaar.

Verhouding van de toepassing van artikel 4.4.8/2 VCRO ten opzichte van een RUP of BPA 

Het toepassingsgebied van artikel 4.4.8/2 VCRO beperkt zich tot de gebieden met een gebiedsaanduiding die tot de categorie ‘landbouw’ behoort. 

Gebieden met bestemmingsvoorschriften van een plan van aanleg die overeenkomstig artikel 7.4.13 VCRO werden geconcordeerd naar de categorie met de gebiedsaanduiding ‘landbouw’ worden gelijkgesteld met gebieden met een gebiedsaanduiding die behoren tot de categorie ‘landbouw’. 

Artikel 4.4.8/2 VCRO geldt niet in ruimtelijk kwetsbaar gebied, of gebieden die op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen staan aangeduid als bouwvrij agrarisch gebied of agrarisch gebied met overdruk natuurverweving. 

Indien een RUP agrarisch gebied voorschrijft waarbij geen bebouwing is toegelaten, dient dit te worden beschouwd als bouwvrij agrarisch  gebied en is een hobbystal niet mogelijk. In agrarisch gebied waarvan de voorschriften enkel constructies voor beroepslandbouw toelaten, is een hobbystal wel mogelijk aangezien dergelijk gebied de facto niet als bouwvrij agrarisch gebied kan worden beschouwd. 

Indien een RUP/BPA beperkingen oplegt die strijdig zijn art. 4.4.8/2 VCRO, primeert artikel  4.4.8/2 VCRO. Het decreet primeert immers op een RUP/BPA.

Toepassing van de zonevreemde basisrechten

De zonevreemde basisrechten zijn van toepassing zolang de vergunning niet vervallen is en voor zover niet wordt afgeweken van de voorwaarden opgenomen in artikel 4.4.8/2 VCRO. Het is niet de bedoeling dat de stal in aanmerking komt voor een zonevreemde functiewijziging.

Relatie met het vrijstellingsbesluit - schuilhokken voor weidedieren

Het vrijstellingsbesluit is nog steeds van kracht. Het oprichten van een schuilhok voor weidedieren blijft onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld van vergunning (artikel 5.1, 3° van het vrijstellingsbesluit).  

Let wel:  de voorwaarden van het vrijstellingsbesluit dienen te worden nageleefd. Als iemand een vergunning heeft bekomen voor het bouwen van een hobbystal voor weidedieren van vb. 50m² op zijn huiskavel kan hij geen bijgebouw meer oprichten van 40m². Van zodra er reeds 40m2 aan vrijstaande vergunde/van vergunning vrijgestelde bijgebouwen staat, kan geen gebruik meer worden gemaakt van het vrijstellingsbesluit en moet een vergunning worden aangevraagd (zie artikel 2.1, 11° van het vrijstellingsbesluit). 

Punt 11 van artikel 2 van het vrijstellingsbesluit luidt:

11° van het hoofdgebouw vrijstaande niet voor verblijf bestemde bijgebouwen, met inbegrip van carports, in de zijtuin tot op 3 meter van de perceelsgrenzen of in de achtertuin tot op 1 meter van de perceelsgrenzen. De vrijstaande bijgebouwen kunnen in de achtertuin ook op of tegen de perceelsgrens geplaatst worden als ze tegen een bestaande scheidingsmuur opgericht worden en als de bestaande scheidingsmuur niet gewijzigd wordt. De totale oppervlakte blijft beperkt tot maximaal 40 vierkante meter per goed, met inbegrip van alle bestaande vrijstaande bijgebouwen. De maximale hoogte is beperkt tot 3,5 meter;

In het verslag aan de Vlaamse Regering  wordt dit verder verduidelijkt:

De totale oppervlakte van de constructies, zowel bestaande als nieuwe constructies, en zowel vergunde als van vergunning vrijgestelde constructies moet in rekening worden gebracht. Heeft men bijvoorbeeld een terras van 40 m² en een siervijver van 10 m², dan kan men nog een zwembad van maximaal 30 m² aanleggen (want 40 + 10 + 30 = 80).

Beperkingen inzake buitenpistes

Art. 4.4.8/2 VCRO voorziet geen mogelijkheden voor paardenpistes in agrarisch gebied en beperkt zich tot de oprichting van een hobbystal voor weidedieren.

De aanleg van een buitenpiste is vergunningsplichtig. Dergelijke pistes zijn niet verenigbaar met de bestemming agrarisch gebied wanneer zij een recreatief karakter hebben. Zo oordeelde de Raad voor Vergunningsbetwistingen:

Een rijpiste die enkel in functie staat van het houden van paarden als hobby, kan, ongeacht de beperkte schaal of de verwijderbaarheid ervan, echter niet worden beschouwd als een constructie die bestemd is voor landbouw in de ruime zin. De te regulariseren rijpiste is dus in strijd met de geldende verordenende bestemmingsvoorschriften van artikel 11.4.1 van het Inrichtingsbesluit. (arrest nr. A/1617/0464 van 10 januari 2017)

Er kan hiervoor geen beroep worden gedaan op de afwijkingsbepalingen voorzien in hoofdstuk IV, afdeling 1 van de VCRO. 

Professionele pistes zijn wel mogelijk voor zover zij noodzakelijk zijn bij een (para-) agrarisch bedrijf. Dit blijkt ook uit de rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen:

Uit deze bepaling volgt dat het oprichten van een buitenpiste in agrarisch gebied slechts toegelaten is voor zover deze constructie noodzakelijk is voor het landbouwbedrijf, waarbij dit bedrijf ook een para-agrarisch bedrijf kan zijn. De verwerende partij die op grond van voormelde bepalingen over het administratief beroep uitspraak moet doen, zal dan ook moeten onderzoeken of de aanvrager al dan niet een agrarisch of een para-agrarisch bedrijf heeft en of de aangevraagde buitenpiste noodzakelijk is voor het bedrijf waarvoor de aanvraag ingediend wordt. (arrest nr. A/1617/0154 van 11 oktober 2016)

Mestopslag en verhardingen

Mestopslag en bijhorende verhardingen bij een vergunde hobbystal in agrarisch gebied zijn vergunningsplichtig, maar zijn in het kader van een hobby-activiteit strijdig met de bestemming agrarisch gebied. Er bestaat geen vergunningsgrond om een aparte mestopslag te voorzien.  

Het toepassingsgebied van artikel 4.4.8/2 VCRO beperkt zich tot het oprichten van een stal voor weidedieren. Deze stal kan, zoals hierboven reeds vermeld, uitsluitend gebruikt worden voor het verblijf van weidedieren eventueel in combinatie met een beperkte bergruimte in functie van dit verblijf (hooi, voeder, mestopslag,…). De mestsopslag kan wel binnen deze oppervlakte voorzien  worden.

Vragen over concrete dossiers?

Met vragen over concrete dossiers kan u terecht bij uw gemeente. Die is bevoegd voor de meeste vergunningsaanvragen en is het best geplaatst om uw dossier te beoordelen.