Duurzaamheidseducatie gaat over het opnemen van verantwoordelijkheid - een gesprek met Waldo Galle

Waldo Galle is van opleiding ingenieur-architect. Hij werkt als professor aan de Vrije Universiteit Brussel, waar hij academisch coördinator is van het duurzaamheidsbeleid. Daarnaast doet hij onderzoek aan het Vlaams Instituut voor Technologisch Onderzoek. Samen met professoren Cathy Macharis en Bieke Abelshausen werkt hij mee aan het instellingsbreed opleidingsonderdeel ‘Sustainability and interdisiciplinary approach’.

Hij bespreekt belangrijke hefbomen om studenten mee te krijgen in het duurzaamheidsverhaal. Hij herkent een grote duurzaamheidsreflex bij zijn studenten, maar merkt dat ze soms de competenties missen om met complexe thema’s om te gaan. Als docent wil hij hen via systeemdenken en transdisciplinair werken de gepaste modellen en vaardigheden aanreiken.

Verder benadrukt hij het belang van een instellingsbrede aanpak (een zogenaamde ‘whole institution approach’) om tot geloofwaardige duurzaamheidseducatie te komen. Deze aflevering sluit daardoor aan bij het gesprek dat we met John Robinson hadden over een holistische en geïntegreerde aanpak.

De podcast is ook beschikbaar via Spotify, Google Podcasts, Apple Podcasts, Castbox en Stitcher.

Transcript: klik om de volledige tekst te lezen

Je luistert naar een podcast van Duurzaam Educatiepunt Hoger Onderwijs. In deze aflevering belicht ingenieur architect Waldo Galle, professor en academisch coördinator van het duurzaamheidsbeleid aan de Vrije Universiteit Brussel, belangrijke hefbomen om zijn studenten helemaal mee te krijgen in het duurzaamheidsverhaal.

Waldo, welkom. Als onderzoeker (voor het Vlaams Instituut voor Technologisch Onderzoek, nvdr) ben je in het bijzonder gefocust op duurzame transitie in het algemeen, en op circulair bouwen in het bijzonder. Maar van waar komt die passie, die gedrevenheid en die betrokkenheid om met duurzaamheid aan de slag te gaan?


(0:50)

Ja, dat is een boeiende introspectieve vraag. Een groot stuk van mijn motivatie vind ik in het achterhalen van hoe we de dingen anders kunnen doen. Ik houd niet zo van platgetreden paden en ik vind het wel fijn om soms de olifant in de kamer te benoemen. En vandaag denk ik dat we dingen anders moeten doen dan dat we in het verleden hebben gedaan. Dat onderzoeken, in het onderwijs, maar ook in de bouwwereld; daarin vind ik inderdaad heel veel motivatie en goesting.

(01:18) Ik hoor je al direct zeggen ‘als een olifant in de kamer’. Omdat het over delicate thema’s gaat en dat je misschien snel op langere tenen trapt? Of is dat overdreven?

Uiteraard, dat is in duurzame ontwikkeling altijd een uitdaging. Willen we ander materialen kiezen en de  studenten anders opleiden, dan zijn er altijd winnaars en verliezers. Praktijken moeten veranderen. Uiteraard is dat geen evidente, vanzelfsprekende transitie die we dan doormaken.

(02:16) Wat trekt je zo in het bijzonder aan in dat duurzaamheidsverhaal? Wat raakt jou daarin?

Wat me vaak raakt in beslissingen die worden genomen in het beleid of in de praktijk, is dat we problemen snel willen oplossen. We willen bijvoorbeeld antwoorden op uitdagingen zoals de verhoogde energiefactuur, of materialen die  niet op tijd op een werf geraken. En die problemen moeten natuurlijk aangepakt worden. Maar duurzame ontwikkeling is ook  voor oplossingen zorgen die daarna ook nog  werken, een stukje blijvende verandering zoeken dus.
 
(02:57) Je linkt daar al direct ecologische uitdagingen met sociale problemen: betaalbaarheid van facturen bijvoorbeeld. Die ecologische-sociale bekommernis, is dat bij jou aan de oppervlakte gekomen door jouw werk, of is dat een thema dat je misschien al heel je leven in je meedraagt? Van waar komt die bijzondere aandacht voor dit onderwerp? 

Wel, ik moet eerlijk zeggen dat mijn gedrevenheid voor duurzame ontwikkeling  niet meteen voortkomt uit empathie voor de natuur bijvoorbeeld. Ik zie enorm graag de natuur, ik apprecieer bijzonder de waarde van onze natuurlijke omgeving en ik snap heel goed wat het belang daarvan is. Maar mijn gedrevenheid komt vooral vanuit een verantwoordelijkheidszin, denk ik. 

(04:18) Welke verantwoordelijkheid? 

De  verantwoordelijkheid ten opzichte van de toekomstige generaties, uiteraard. Dat de dingen die we vandaag oplossen, geen problemen voor morgen worden.

(04:08) Voel je je verantwoordelijk?

Ja. 

Heel erg?

Ja zeker. Het is persoonlijk in mijn leven gekomen tijdens mijn opleiding als ingenieur-architect. Vrij snel kwam toen de vraag: ‘wat gebeurt er met een gebouw nadat het gezet is?’ Want als architect ben je bezig met vragen als: ‘Welke materialen kies je, welke vorm geef je het gebouw, waar zet je het? …’ En dan maak je de beste beslissing op basis van de eisen van de opdrachtgever. Maar dan stopt het wel. Wat daarna gebeurt, hoe snel een gebouw oud wordt, wanneer het leeg komt te staan, wat de trigger zal zijn om materiaal weg te gooien, … daar houden we veel te weinig rekening mee tijdens het tekenen, het ontwerpen en het berekenen van de kosten van gebouwen. Maar die verantwoordelijkheid voor wat er gebeurt met een gebouw nadat wij vertrokken zijn, daar kan ik  niet aan voorbij gaan. Hetzelfde geldt voor onze planeet; wat als wij hier vertrekken , wat gebeurt er dan met de planeet?

(05:17) Is het een ‘én, én, én-verhaal’? Een keer dat het gebouw daar staat, zijn de vragen: wat gebeurt ermee, hoe gaan de mensen er gebruik van maken? Is het ecologisch goed doordacht, is het een duurzaam gebouw vanuit ecologisch perspectief? En ten derde, is het economisch bekeken ook een duurzaam gebouw? Gaat het zijn kostprijs op termijn opleveren? 

Ik denk dat we de ‘triple P’ van duurzame ontwikkeling: people, planet en prosperity, niet los kunnen koppelen van elkaar. Dus in alle uitdagingen, als het gaat over de energiefactuur, over de materialen, schaarste, over de klimaatverandering, … moeten we vooral kijken naar de samenhang van de dingen. Daarom maken we in ons onderzoek gebruik van systeemdenken. En daarin proberen we onze studenten vaardig te maken. 
 
(06:23) Pikken die studenten het vlot op als je die duurzame kwaliteiten naar voor schuift? Of blijf je nog vaak op je honger zitten van ‘moeten we dit nog allemaal duiden en uitleggen’? 

Wat we voelen is dat studenten zeker gevoelig zijn voor grote uitdagingen, dat zij nog meer met die tijdsdimensie bezig zijn. Ze zijn hier het jongst en gaan  nog lang moeten meegaan. Ze zijn duidelijk ook goed geïnformeerd. Dat is zeker. Ze zijn er gevoelig voor. Wat wij proberen te doen is ze vaardigheden mee te geven om er iets aan te doen, om actie te ondernemen. Dan bedoel ik geen protestacties, maar wel dat ze  op een andere manier gebouwen ontwerpen, dat ze voor bepaalde projecten op een andere manier naar financiering zoeken, dat ze zich kunnen organiseren in vzw’s, … Dat zijn nieuwe vormen van leren.

(07:24) Ik ben blij om te horen dat er duidelijk een automatische duurzaamheidsreflex is bij studenten.

Ja, ik herken bij veel studenten de goesting en de zoektocht van ‘hoe kunnen we dat hier nu anders aanpakken?’ Dat heb ik bij mezelf in mijn zoektocht ook ondervonden. En daarin proberen we hen te ondersteunen. Dat doen we door bijvoorbeeld modellen aan te reiken, maar ook door vaardigheden aan te leren als ‘authentiek luisteren naar elkaar’, zonder vooroordelen. 
Maar we reiken ook praktische modellen aan, zoals het ‘ijsbergmodel’. Dat is een model dat toelaat om onder het waterniveau te duiken en te begrijpen waarom dingen er uitzien zoals ze er vandaag uitzien. Boven het water van het ijsbergmodel zie je feiten, dingen die gebeuren: ik ben met de fiets gekomen, jij met de trein. Onder het waterniveau zitten veel redenen waarom we dat hebben gedaan. Een aantal dingen, net onder het waterniveau, zijn heel praktische dingen: de trein rijdt relatief op tijd, het wordt steeds veiliger om in Brussel te fietsen. Dat  zijn een aantal dingen die vertellen over hoe we onze maatschappij organiseren en ontwerpen. En dat gaat voorbij de feiten. Als we nog dieper onder het water duiken, dan vinden we meer persoonlijke motivaties: ik vind het fijn om te fietsen en het helpt me om mijn gedachten te structureren, misschien vind jij het fijn om op de trein te zitten in plaats van in de auto. Dus het ijsbergmodel helpt ons om te ontdekken wat de echte redenen zijn waarom de dingen gebeuren zoals ze vandaag gebeuren. En als we die echte redenen vinden, hebben we misschien ook wel meer impact om ons gedrag te veranderen. Het gaat niet helpen om één keer aan de mensen een gratis treinticket te geven om blijvend met de trein te rijden. Of mij een chocoladekoek geven wanneer ik met mijn fiets aankom op mijn werk, dat gaat ook niet helpen om mij vaker met de fiets te laten rijden. Neen, het gaat over de manier hoe we ons organiseren als maatschappij. Rijden die treinen altijd stipt? Is de trein effectief comfortabel? En vinden we het allemaal waardevol wat we doen, kunnen we er persoonlijk betekenis aan geven? Met dit ijsbergmodel stimuleren we onze studenten dieper te graven. Om dan pas ontwerpen voor te stellen om dingen in onze maatschappij anders te organiseren. We laten hen zoeken naar waarden en appreciaties bij de stakeholders, alsook bij de tegenstanders. 

(09:46) Kan ik er me bij voorstellen dat ze ook effectief een uitdaging opnemen, dat uitwerken en in de praktijk zetten?

Uiteraard brengen we  participatief onderzoek binnen in ons onderwijs. Het betreft onderzoek dat de studenten zelf kunnen doen, waarmee ze systeemdenken inoefenen en die modellen leren gebruiken. We zien dat studenten die persoonlijk betrokken zijn bij een maatschappelijke uitdaging - bijvoorbeeld Erasmusstudenten die in hun thuisland via een vzw bij de milieuproblematiek betrokken zijn, of studenten die zich inzetten om kansarme jongeren te helpen bij het leren en het studeren… - snel met die modellen weg zijn. Vaak komen die dan zeggen: “Ik wist dat wel, maar ik had dat nog nooit zo helder kunnen structureren. Nu weet ik beter wat onze volgende stap zou kunnen zijn.” Dus zij nemen dat mee naar huis en naar de vzw waarin ze betrokken zijn. Studenten die iets minder maatschappelijk geëngageerd zijn, die raken dan weer door hen geïnspireerd. We laten ze uiteraard in groep werken. Zo hopen we dan dat die olievlek, figuurlijk dan, verder uitdeint. 

(12:26) Studenten geraken duidelijk geënthousiasmeerd en maatschappelijk betrokken. Geeft dat aanleiding om vanuit de architectuur interdisciplinair te gaan kijken? En zijn er dan linken naar andere maatschappelijke domeinen? 

Die modellen geven we in ons instellingsbreed opleidingsonderdeel mee aan  de studenten. Dat is een multi-disciplinair vak omdat het openstaat voor alle studenten van onze universiteit (Waldo Galle geeft dit samen met professoren Cathy Macharis en Bieke Abelshausen, nvdr). Daar zijn niet alleen ingenieur-architecten bij betrokken, maar ook mensen uit de rechten, mensen die geneeskunde studeren, mensen uit de biologie.

(12:04) Kan je kort duiden wat de inhoud is van dat multidisciplinair vak? 

Dit instellingsbreed vak - ‘Sustainability and interdisiciplinary approach’ - heeft drie verschillende tracks. Een eerste track wil de studenten informeren met als doel een gemeenschappelijke taal te creëren rond de grootste actuele uitdagingen. Klimaatcrisis is er één van; materiaalschaarste, armoede en sociale ongelijkheid zijn nog andere duurzaamheidsuitdagingen. Die laten we in deze track door gastlezingen en debatten aan bod komen. In een tweede track gaan we de tools, of de methoden zoals bijvoorbeeld het ijsbergmodel, aan onze studenten meegeven. Dit is een ‘empowertrack’, waar ze die uitdagingen gaan analyseren en de vraag stellen waar ze blijvende duurzame veranderingen kunnen installeren. En in een derde track gaan ze dat zelf toepassen in interdisciplinaire groepjes: studenten met een juridische achtergrond, met een economische achtergrond en ingenieurs. Die gaan we samen zetten in groepjes rond één specifieke uitdaging. Met een partner in de praktijk gaan ze proberen een oplossing te formuleren. Of ze gaan vanuit de toekomst terugkijken: wat zou de ideale situatie zijn in de toekomst en wat zijn mogelijke paden daarnaartoe? Daarin zit het inoefenen van vaardigheden, maar ook het oefenen van visievorming en helder krijgen van wat nu een gemeenschappelijk doel zou kunnen zijn voor de ene dan wel de andere uitdaging. 
We zien in dit instellingsbreed opleidingsonderdeel dat de studenten enorm door elkaar geïnspireerd worden, en dat ze op een andere manier naar de dingen leren kijken. Een econoom bijvoorbeeld vanuit een rechtsperspectief, een bioloog vanuit een economisch perspectief. Dat opent vaak hun ogen. Maar ze leren ook omgaan met die andere disciplines en ervaren dat mensen complementair kunnen werken. Ze ontrafelen elk op hun eigen manier dat systeem en begrijpen beter hoe je dat zou kunnen veranderen.

(14:27) Een andere insteek in jullie faculteit, of hier campusbreed zelfs, is dat jullie ook werken met living labs. Kun je dat even duiden? 

Opnieuw kan ik dat niet loskoppelen van de systeembenadering. Alle dingen hangen samen en het zou zonde zijn de vele componenten die we hier op de campus hebben niet in te zetten. Praktisch bekeken, een living lab gebeurt ad hoc vandaag. Het is iets van opportuniteiten vinden én ze samenbrengen. We proberen te kijken hoe we onze bedrijfsvoering aan de universiteit kunnen inpassen. Bijvoorbeeld: hoe kunnen we de manier waarop we gebouwen renoveren koppelen aan ons onderzoek en de vragen die ermee verbonden zijn? Wat is duurzaam materiaalgebruik? Als we kunnen leren door onze eigen gebouwen op de campus te renoveren, zou het zonde zijn dat niet te doen. Dat hebben we gedaan met de collega’s van het ‘circular retrofit lab’. Uiteraard is onze missie, zoals andere universiteiten, kwaliteitsvol onderwijs aan te bieden. Maar wanneer we ook onze studenten kunnen betrekken in dat actief leren op de campus, dan is dat de ideale gelegenheid om hen met dat complexe en systemische van de uitdaging kennis te laten maken en hen zelf daarin te laten participeren. En uiteraard gaat het dan bijvoorbeeld over andere manieren van samenwerken met aannemers. Zo leren ze met hen contracten af te sluiten. Dat zijn dingen die je niet kan leren als je niet met een aannemer kan praten. Dit was weer een voorbeeld uit de bouw. Maar hetzelfde geldt voor energie, hetzelfde geldt voor kansarme jongeren in onze stad. Op die manier toetsen studenten modellen af aan een complexe realiteit. 

(16:53) Die reflex om het bredere plaatje te bekijken en de keuze te maken van ‘hier zit potentieel een lab in, kom we rollen dat uit’. Weet je dan ook meteen op welke actoren je beroep zult kunnen doen? 

Absoluut, via de inzichten van een  ‘whole institution approach’ verbinden we onderwijs met onderzoek én bedrijfsvoering. Dat is een visie die we al lang in ons beleid integreren waardoor iedereen ook weet dat dit potentieel heeft. Dat is gedragen, dat is bevestigd geweest. En die aanpak is ondertussen ook bewezen. Er zijn ondertussen een aantal succesvolle living labs geweest. Het gebeurt ad hoc, zulke dingen moeten spontaan ontstaan. Natuurlijk als universiteit faciliteer je dit wel: een ‘green energy park’ in Zellik,  een volledige ontwikkeling van een innovatiesite, is één groot living lab van onze universiteit.
Dit is inderdaad ruim gedragen binnen de instelling, van ‘Ja , we kunnen daar iets anders uit leren dan dat we normaal zouden kunnen doen’. Dus iedereen slaat daar de handen aan. Op voorwaarde dat  we de projectruimte vinden en een goede match zien tussen onderzoek, onderwijs en bedrijfsvoering. Dat zijn net de voorbeelden waar complexe uitdagingen zitten in onze maatschappij. 

(18:31) En waar je diep onder de waterlijn moet duiken om die onderliggende oorzaken van het probleem helder te krijgen. 

Het dient één aspect van onderwijs en onderzoek, dat is net die complexe problemen – die wicked problems – aanpakken. We hebben ook andere  delen van onderwijs en onderzoek die veel meer feitelijk gebaseerd zijn, die veel meer op vertrouwde modellen en methodes steunen. Het hoeft niet alles te vervangen. 

(19:02) Deze aanpak vraagt veel creativiteit, flexibiliteit en veerkracht van mensen. Wat zijn nog hefbomen die te veel ontbreken om die processen gangbaar te houden en ze te versterken? 

Ja, wendbaarheid verwachten we ook, zeker vandaag. Waar ik zelf veel sterke en nieuwe ideeën uit haal is in overleg, in een cultuur van met elkaar praten. Aan collega’s kunnen vragen “wat doet gij?” En  dan komen oplossingen spontaan, in de zin van “ik doe dat, en doet gij dat ook…?” en “kent gij die partner in landbouw of in de bouw, …?”

(19:51) En heb je de tijd om met elkaar te praten?

Daar komt dan inderdaad de grote bezorgdheid die ik eraan wou koppelen. Vandaag is ons universitair landschap, net als ieder ander landschap, zeer competitief, waardoor we heel veel tijd investeren in projecten die nog moeten komen of die misschien nooit zullen komen. En we weten uit onderzoek van onze collega’s in Gent, het Centrum voor Duurzame Ontwikkeling, dat die competitie één van de grootste drempels is om effectief creativiteit en nieuwe ideeën binnen te laten in ons onderwijs en in ons onderzoek. Daar ben ik bezorgd voor, en ik denk dat we als universitaire gemeenschap waakzaam moeten blijven dat die competitie niet verlammend wordt.

(20:36) Ik kan mij inbeelden dat er op een bepaald moment onder de studenten, en onder de docenten waarschijnlijk ook wel, ideologische kwesties om de hoek kijken. Want als het gaat over betaalbaarheid en transitie van manier van wonen, transport, ruimtegebruik, … hoe vang je dat op?  

Effectief, dat zijn vaak dingen waar de studenten nog niet aan gedacht hebben en waar de ene zegt ‘neen, neen, er moeten subsidies komen, de overheid moet naar voor treden’, en de ander zegt ‘het gaat over die ene bouwvakker die beter moet weten met welk materiaal hij aan de slag gaat.” Daar zie je effectief grote verschillen in visie over hoe we ons gaan organiseren als maatschappij. Moet de politiek het allemaal doen, of gaan we zelf allemaal een andere praktijk hanteren, de dingen anders doen, anders waarderen? Hoe faciliteer je dat in de context van een vak of een werkcollege?  Dat kan je doen door een aantal van die basisvaardigheden die met dat systeemdenken meekomen in de praktijk te brengen. Zoals leren authentiek luisteren naar elkaar. Of in plaats van te oordelen, eerst proberen te begrijpen en leren feedback te geven aan elkaar. En door te leren argumenteren op een niet agressieve manier, maar wel door feitelijke, heel correcte en concrete communicatie. Dat zijn dan de vaardigheden die de studenten bij dat systeemdenken mee in praktijk moeten brengen. Dat zorgt ervoor dat ze een eerlijk en veilig debat kunnen voeren.

(24:22) Waldo, ik denk dat dit ook een mooie afronding is van dit gesprek. Met sterk appel én naar de docenten die dat begeleiden én de studenten die die uitdagingen moeten kunnen zien en ermee aan de slag gaan. En dat duidelijk ook in een context van respect voor elkaar. Er komt dus ook een levensfilosofie bij kijken naast alle technische, methodologische, politieke én beleidsuitdagingen en de keuzes die daarmee verbonden zijn. Heel hard bedankt om dat hier zo helder te duiden.

Heel graag gedaan.

En veel succes met de lopende projecten en de nieuwe projecten die er ongetwijfeld gaan aankomen.  

Dank u wel, we gaan ons amuseren!

(22:53) En dat is heel belangrijk!

Je luisterde naar een gesprek met Waldo Galle, professor en academisch coördinator van het duurzaamheidsbeleid aan de Vrije Universiteit Brussel. Meer boeiende getuigenissen van lectoren en docenten die met duurzaamheidseducatie aan de slag gaan, vind je op de website van Duurzaam Educatiepunt Hoger Onderwijs.  

Geluid/muziek: Trip Trap, Audio Brothers (https://audiobrothers.com/) + Piano Sting (https://www.serpentsoundstudios.com/royalty-free-music/jingles)