Bedrijfswoning - VCRO artikel 4.3.6

Art. 4.3.6 VCRO stelt:

Voor het bouwen of uitbreiden van een bedrijfswoning bij een bedrijf in een daartoe geschikt bestemmingsgebied, kan een omgevingsvergunning worden verleend voor een volume van ten hoogste 1 000 m3, of 1 250 m3 in geval van bewoning door meer dan één met het bedrijf verbonden gezin.

Een vergunning wordt geweigerd als de aanvraag betrekking heeft op het oprichten van een tweede of een bijkomende, vrijstaande bedrijfswoning bij eenzelfde bedrijf
.

 

Toelichting eerste lid:

Het maximum bouwvolume van de woning bij een landbouwbedrijf is beperkt tot 1.000 m3, of tot 1.250 m3 indien meerdere met het bedrijf verbonden gezinnen de woning zullen betrekken. Volgens de Raad voor Vergunningsbetwistingen sluit artikel 4.3.6 VCRO een tweede (of zelfs derde) bedrijfswoning bij een landbouwbedrijf niet uit, die dan bijvoorbeeld kan bestemd zijn voor de zoon-overnemer van een landbouwbedrijf. De RvVb is hierbij van oordeel dat de woningen qua volume samen dan wel de vermelde decretale volumenorm moeten respecteren. (Zie RvVb nr. A/2014/0663, 30 september 2014) De maximale volumes gelden dus niet voor elke bedrijfswoning afzonderlijk. De verschillende bedrijfswoningen die bij eenzelfde bedrijf horen moeten samengeteld voldoen aan de maximale volumes.

Bij een splitsing van een landbouwbedrijf in twee entiteiten, moeten de volumes van de beide woningen niet worden samengeteld omdat in die hypothese ook twee afzonderlijke landbouwbedrijven ontstaan waarbij telkens een volwaardige exploitantenwoning kan behoren.

 

Toelichting tweede lid:

 

Het tweede lid van artikel 4.3.6 werd toegevoegd met de codextrein. De toelichting hierbij luidt:
 

“Artikel 4.3.6 van de VCRO bevat een volumebeperking voor bedrijfswoningen tot 1000m³, met de mogelijkheid tot uitbreiden tot 1250m³ in het kader van een generatiewissel. Deze bepaling geldt voor zowel woningen bij landbouwbedrijven als woningen bij industriële en ambachtelijke bedrijven en heeft tot doel het volume en dus de ruimte-inname en ruimtelijke impact van deze woningen te beperken in gebieden die niet voor residentieel wonen bestemd zijn. In het kader van een toenemende schaalvergroting van landbouwbedrijven komt vandaag meer en meer de situatie voor dat een landbouwbedrijf in het beroepsinkomen van meer dan één landbouwer voorziet. Volgens de bepalingen van het gewestplan zijn dan principieel een tweede en zelfs derde bedrijfswoning vergunbaar. Dit leidt tot bijkomende woningen in het agrarisch gebied. Artikel 11.4.1 van het Inrichtingsbesluit 1972 bepaalt wel dat de woning van de exploitanten een integrerend deel moeten uitmaken van een leefbaar bedrijf. In de praktijk moeten we vaststellen dat soms bedrijfswoningen worden toegestaan tot op tientallen meters van de bedrijfsgebouwen. Daarnaast laat de huidige regelgeving ook toe om een tweede en zelfs derde, vrijstaande bedrijfswoning te vergunnen bij eenzelfde bedrijf als kan worden aangetoond dat dit kan worden gekaderd binnen de bestaande bedrijfsvoering. Hierdoor wordt meer en meer open ruimte ingenomen. Vooral bij latere desaffectatie van deze bedrijfswoningen (bijvoorbeeld bij stopzetting bedrijf, verkoop woning,…) werkt dit de residentialisering van landbouwgebied of industriegebied in de hand. Het verder residentialiseren van landbouwgebieden gaat de ontwikkeling van veerkrachtig ingerichte landbouwgebieden die de voedselproductie garanderen tegen. Het ruimtelijk beleid moet gericht zijn op het tegengaan van versnippering en fragmentatie, door grote aaneengesloten openruimtegebieden en robuuste verbindingen te vrijwaren van ontwikkelingen die aanleiding geven tot versnipperd ruimtebeslag zoals bijkomende bebouwing. Vanuit het oogpunt van het nastreven van ruimtelijk rendement stelt de problematiek zich evenzeer in industriegebieden. Voorgesteld wordt dan ook om het oprichten van een vrijstaande tweede of volgende bedrijfswoning niet langer toe te laten. Het blijft dus mogelijk om één vrijstaande bedrijfswoning op te richten van ten hoogste 1000 m³ (of 1250 m³ in geval van bewoning door meer dan één met het bedrijf verbonden gezin). Als de exploitanten daarnaast nog een of meerdere bijkomende bedrijfswoningen wensen te voorzien, moet dit “inpandig” gebeuren of fysiek aansluitend bij de bestaande bedrijfsgebouwen. Een bijkomende vrijstaande woning is niet mogelijk.”

Dit nieuwe tweede lid van artikel 4.3.6 VCRO is voor meerdere interpretaties vatbaar.

Als de eerste bedrijfswoning vrijstaand is, kan de bijkomende bedrijfswoning enkel inpandig zijn. Dat is wel duidelijk.

Maar wat als de eerste bedrijfswoning inpandig is? Kan de bijkomende bedrijfswoning dan wel vrijstaand zijn? Ook in dat geval is er uiteindelijk maar één vrijstaande bedrijfswoning per bedrijf. Het was de bedoeling van de decreetgever om één vrijstaande bedrijfswoning toe te laten per bedrijf, ongeacht of die al dan niet als eerste werd opgericht. Dit standpunt kan ondersteund worden door een taalkundige analyse van de decretale bepaling (komma tussen de woordgroepen “tweede of een bijkomende” en “vrijstaande bedrijfswoning”) en blijkt ook uit de memorie van toelichting hierboven.  Een bedrijfsleider die zijn eerste bedrijfswoning inpandig voorziet zou in een andere interpretatie worden afgestraft en dat kan toch niet de bedoeling zijn geweest.

De bepaling is voor meerdere interpretaties vatbaar en het is afwachten hoe de RvVb en de RvSt dit zullen interpreteren.

 

Vragen over concrete dossiers?

Met vragen over concrete dossiers kan u terecht bij uw gemeente. Die is bevoegd voor de meeste vergunningsaanvragen en is het best geplaatst om uw dossier te beoordelen.