Afvalwater

Het waterbeleid in Vlaanderen is gebaseerd op de Europese kaderrichtlijn Water (2000) en streeft naar een goede kwalitatieve en kwantitatieve toestand van het oppervlaktewater. De term ‘waterkwaliteit’ slaat hier zowel op een reeks van concentraties en fysische verdelingen van anorganische en organische stoffen, als op de samenstelling en de staat van het aquatisch leven aanwezig in een water. 

De lozing van afvalwater van huishoudens en bedrijven, evenals verliezen van nutriënten en bestrijdingsmiddelen uit de landbouw en andere bronnen, tasten de kwaliteit van het oppervlaktewater aan. Voor bedrijven worden de milieuvoorwaarden voor het gebruik, het omgaan en het lozen van bedrijfsafvalwater beschreven in VLAREM. 

Wat is de rol van Omgevingsinspectie?

Controle of klasse 1-bedrijven voldoen aan de milieuvoorwaarden voor het lozen van bedrijfsafvalwater, Hiertoe voeren we volgende controles uit:

  • Routinemonsternames: het jaarlijkse nemen van monsters van het geloosde bedrijfsafvalwater. De frequentie van monstername wordt per bedrijf vastgelegd en is afhankelijk van het geloosde debiet, de bestemming van de lozing (riool of oppervlaktewater) en het al dan niet aanwezig zijn van gevaarlijke stoffen in het geloosde water. Deze basisfrequentie kan aangepast worden in functie van de voorgeschiedenis van het bedrijf. 
  • Gevaarlijke stoffen: extra aandacht gaat naar  de opvolging van bedrijven waar in het geloosde bedrijfsafvalwater gevaarlijke stoffen aanwezig zijn zoals pcb’s, dioxinen en furanen, brandvertragers, perfluortensiden, etc.
  • Zelfcontrole: de controle van de in VLAREM bepaalde zelfcontroleverplichtingen. Dit zijn  emissiemetingen die exploitanten met een vastgelegde frequentie zelf moeten (laten) uitvoeren om na te gaan of de emissiegrenswaarden worden gerespecteerd.