Afstanden van beplantingen en overhangende takken/doorschietende wortels op het openbaar domein – Nieuw Burgerlijk Wetboek artikel 3.133 en 3.134

Op 1 september 2021 trad in het Nieuw Burgerlijk Wetboek een luik omtrent goederenrecht in werking.

Het Grondwettelijk Hof bevestigde in haar arrest nr. 148/2021 van 21 oktober 2021 de grondwettigheid van artikel 3.133 en 3.134 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek (en de opheffingsbepaling van artikel 35, 36 en 37 Veldwetboek).

De bepalingen hebben betrekking op, enerzijds, de afstanden van beplantingen ten aanzien van perceelsgrenzen en, anderzijds, overhangende takken en doorschietende wortels. Volgens de nieuwe bepalingen kan de nabuur de snoeiing, rooiing of wegsnijding eisen van beplantingen die de minimale afstanden niet respecteren. Hij kan eveneens eigenmachtig overhangende takken of doorschietende wortels wegsnijden, na de eigenaar van de beplantingen in gebreke te hebben gesteld. Deze nieuwe artikels worden zonder onderscheid van toepassing geacht op zowel privaat als openbaar domein.

Het Hof oordeelt dat de algemene, voor alle goederen geldende regels inzake zakelijke rechten behoren tot het burgerlijk recht en bijgevolg tot de residuaire bevoegdheid van de federale Staat. De bestreden bepalingen schenden de gewestbevoegdheden inzake openbaar domein bijgevolg niet.

De gemeenrechtelijke federale regeling inzake “Goederen” verzet zich bovendien niet tegen  de toepassing van specifieke gewestelijke regels met betrekking tot bepaalde openbare domeingoederen. Mits naleving van het evenredigheidsbeginsel kunnen de gewesten beperkingen aanbrengen op de uitoefening van de zakelijke rechten,  bijvoorbeeld door bepaalde handelingen afhankelijk te maken van een vergunningsplicht.

Het Hof wijst er ook op dat de wettelijke erfdienstbaarheden inzake, enerzijds, afstanden van beplantingen en, anderzijds, overhangende takken en doorschietende wortels, zoals geregeld in de artikelen 3.133 en 3.134 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek, uitsluitend zullen kunnen bestaan op een openbaar domeingoed « in de mate dat zulks aan de openbare  bestemming van dat goed niet in de weg staat ».

De beheerder van een openbaar domeingoed zal in beginsel de voorschriften van de artikelen 3.133 en 3.134 van het Nieuw Burgerlijk Wetboek moeten naleven wanneer hij de snoeiing of rooiing van beplantingen, dan wel de wegsnijding van takken of wortels wenst te verkrijgen.

Partijen kunnen echter afwijken van de betreffende bepalingen en het staat de beheerder van een openbaar domeingoed dus vrij zijn nabuur toe te laten beplantingen aan te brengen die de afstandsregels niet respecteren, zoals ook blijkt uit artikel 3.133, eerste lid van het Nieuw Burgerlijk Wetboek.

Ten slotte oordeelt het Hof dat de bestreden bepalingen niet van toepassing zijn op beplantingen die vóór de inwerkingtreding van de wet werden aangebracht.